De Sigarenindustrie; deel 4 van:
Een nationaal museum voor industrie en techniek

Sigaren
EiB



4.1. De sigaar als genotmiddel
De sigaar is een al vrij oud produkt, dat samengesteld is uit één natuurlijke grondstof: de tabak, dat wil zeggen enkele speciale teelten daarvan. De verwerking van de vrij kostbare grondstof vereist veel zorgvuldigheid. Dat heeft haar invloed gehad op de ontwikkeling van arbeidsorganisatie en technische hulpmiddelen; de produktie geschiedde zeer lang met de hand en was erg arbeidsintensief. Het eindprodukt is als genotsmiddel in veel gevallen een voorwerp van overheidsbelasting geweest, wat op zijn beurt ook mede aard en karakter van deze bedrijfstak heeft bepaald. De prikkelende en genotvolle werking van de bladeren van de tabaksplant was aanvankelijk slechts bekend aan de bevolkingsgroepen in wier woongebied de plant ook groeit, voornamelijk de Indianen in Zuid- en Midden-Amerika. Het gebruik en de teelt van de plant worden na 1500 door de ontdekkingstochten ook in Europa ingevoerd. Het tabaksblad kan door middel van verschillende bewerkingen voor diverse gebruiksmogelijkheden geschikt worden gemaakt. Aanvankelijk wordt het blad gebruikt als medicijn, maar spoedig vrijwel uitsluitend als grondstof voor snuif-, pruim- en rooktabak. In Nederland bestaan al in de zeventiende eeuw tabakskerverijen, voor de produktie van rooktabak, en na 1650 wordt ook de fabricage van snuif- en pruimtabak ter hand genomen. Vooral Rotterdam is in die tijd van belang als handels- en verwerkingscentrum van tabak. Ten tijde van de Franse overheersing gaat de tabaksnijverheid in Nederland sterk achteruit, onder andere door gebrek aan grondstoffen en door het (dure) staatsmonopolie op tabak. In de periode daarna bloeit de Nederlandse tabaknijverheid weer op, ook al omdat de produktie niet gehinderd wordt door overheidsregulering en accijnsen. Van ongeveer 1830 af wordt ook de fabricage van sigaren ter hand genomen. De sigarenfabricage heeft zich in de loop van de achttiende eeuw van Spanje uit (eerste sigarenfabriek in Sevilla, 1720) naar het noorden uitgebreid (eerste sigarenfabriek in Duitsland: Hamburg, 1788). De sigaar wordt al snel populair: er is geen extra (rook)gereedschap voor nodig – zoals bij pijptabak - en zij bestaat voor honderd procent uit tabaksblad, dat bijna helemaal bruikbaar is. Vooral bij de gezeten burgerij wordt de sigaar in de tweede helft van de negentiende eeuw hét tabaksartikel. Van 1870 af overtreft de sigarenconsumptie die van de kerftabak.

4.2. De produktiesystemen
Het fabricageproces
De grondstof voor de sigarenindustrie is het gefermenteerde blad van de tabaksplant, dat onderscheiden kan worden naar soort, kwaliteit en lengte. De sigaar is geheel opgebouwd uit bladeren van de tabaksplant en bestaat uit het binnengoed, het omblad en het dekblad.
De verschillende bewerkingen zijn als volgt in schema te brengen:

Handwerk (1830-1920):
manufactuur en huisindustrie


Alle bewerkingen in het schema gebeuren in deze periode vrijwel uitsluitend met de hand. Er zijn dan wel al enkele eenvoudige machinerieën ontwikkeld, maar die vinden, vaak omdat ze weinig doelmatig zijn en meer van de (kostbare) tabak verspillen dan bij handarbeid gebeurt, weinig of geen algemene toepassing. De lage loonkosten in Nederland bevorderen de invoering van machinerieën evenmin. Een niet onbelangrijk nieuw hulpmiddel bij het vormen van het bosje is de houten persvorm die in de jaren tachtig algemeen ingang vindt. Het modelleren van het bosje hoeft daarmee met minder nauwgezetheid te gebeuren en kan dus sneller. De bosjes krijgen een stevigere vorm, waardoor het opdekken ook vergemakkelijkt wordt. De sigarenindustrie is vermoedelijk als centraliseerd handwerkbedrijf in Nederland ingevoerd. Daarna ontstaan verschillende vormen van thuisarbeid. De centralisatie van de produktie gebeurt onder andere om toezicht op de verwerking van de kostbare grondstof en de kwaliteit van het eindprodukt te kunnen uitoefenen. Verder kan een hogere produktiviteit, door middel van de grote onderlinge concurrentie tussen de sigarenmakers als gevolg van het stukloon gehaald worden en is een strakkere reglementering van de arbeid mogelijk. De snelle groei van het binnenlandse sigarenverbruik, dat tussen 1850 en 1900 ruim tien maal toeneemt, schept een afzetmarkt over het hele land. Talloze kleinere en grotere firma's gaan zich in de tweede helft van de negentiende eeuw met de sigarenfabricage bezig houden, waarbij de oude tabaksverwerkende industrie een ondergeschikte rol speelt. Amsterdam en Kampen , de eerste plaatsen waar een sigarennijverheid opkomt (rond 1850) blijven de hele verdere negentiende eeuw belangrijke centra. Al zeer gauw ontstaat ook in Eindhoven en omgeving een belangrijke sigarenindustrie. De ondernemer stelt werkplaats en materiaal ter beschikking, terwijl de sigarenmakers, mannen, vrouwen en kinderen, vaak hun eigen gereedschap meebrengen en er per dag of op stukloon komen werken. Vrouwen- en kinderarbeid komen op vrij grote schaal voor in de sigarennijverheid; zij vormen in veel gevallen de helft of meer van het fabriekspersoneel.Het eigenlijke sigarenmaken, het vormen van het bosje en het opbrengen van om- en dekblad, is redelijk betaald vakwerk, evenals het sorteren. Dat gebeurt meestal door mannen, hoewel ook vrouwen worden ingeschakeld als sigarenmaakster. De sigarenmaker wordt meestal bijgestaan door een zogenaamde poppenmaker, vaak een kind,die het omblad om het binnengoed draait. De werkzaamheden, die weinig of geen ervaring of lichaamskracht vereisen, zoals het strippen en bevochtigen van de tabak, het schoonhouden en het inpakken, gebeuren meestal door de vrouwen en kinderen. In de kleine werkplaatsen moeten de arbeiders vaak allerlei karweitjes opknappen, waarvoor ze,buiten hun stukloon, niet betaald worden. Soms moeten de arbeiders betalen voor een plaatsje in de fabriek, evenals voor verwarming,licht en (reparaties aan) het materiaal. Vervolgens ontwikkelen zich diverse vormen van huisindustrie. In steden als Amsterdam en Rotterdam, waar een redelijke vraag naar betere sigaren is, en waar de tabakshandel geconcentreerd is, slagen sigarenmakers er in voor eigen rekening in te kopen en te verkopen. En dan is er de thuiswerkende arbeider, een veel grotere groep, die zijn grondstoffen van een ondernemer koopt en, op eigen risico, verwerkt om het eindprodukt per stuk aan een ondernemer te verkopen. In de meeste gevallen werken de thuisarbeiders echter in loondienst voor één ondernemer, die de grondstof, die de sigarenmaker tegen een bepaald stukloon verwerkt, ter beschikking stelt.


13. Een produktiehal bij Willem II, ca. 1935. Op de voorgrond bosjesmachines. Aan elke machine werkten twee arbeidsters: één daarvan gaf het binnengoed aan de tweede bracht machinaal het omblad aan en legde het met een omblad ontwikkelde bosje terug in de houten persvorm.

Sigarenmakers op de fabriek werken soms 's avonds nog door als thuiswerker. Het strippen van de tabak geschiedt over het algemeen als thuisarbeid, waarvoor vrouwen en kinderen ingeschakeld worden. Ook andere aanvullende werkzaamheden, zoals het timmeren van kistjes, gebeurt wel thuis. De thuiswerkers, die voor de leverantie van grondstof en de afname van het product afhankelijk zijn van derden, zijn soms aan diverse mistoestanden blootgesteld, zoals gedwongen winkelnering, verplicht café-bezoek, willekeurige boetes of looninhouding, en slechte grondstoffen. Ook de manufactuur-arbeiders werden hiermee geconfronteerd. Het stripwerk wordt vaak niet (apart) betaald, maar geacht gratis door de medewerkenden thuis gedaan te worden. Zeker als het gezin thuis meewerkt bij de sigarenproduktie, gaat dat ten koste van de woonruimte. Het werken in de stoffige, donkere en kleine huiskamers gaat veelal ten koste van de gezondheid van de sigarenmaker en zijn gezin. Bovendien worden in de huisnijverheid zeer lange werktijden gemaakt. Het uitbesteden van (een deel van) de produktie heeft voor de ondernemer het voordeel dat de investeringen in produktiemiddelen gering zijn: de thuisarbeider betaalt zelf de werkruimte, zorgt meestal voor eigen gereedschap zoals messen, stijfel, licht en verwarming. Toezicht op verwerking en kwaliteit is echter slechts achteraf mogelijk.

De eerste fase van mechanisering (1920-1950)

Onder invloed van de eerste landelijke cao (1920) en de invoering van de accijnswet op tabak (1922) wordt de - al sterk achteruitgaande - huisindustrie grotendeels verdrongen. Er worden nu eisen gesteld aan de werkruimtes en het komt tot een verbod op het voor eigen rekening vervaardigen van sigaren door fabriekspersoneel. Hierdoor verdwijnt de huisindustrie vrijwel geheel, hoewel eenmansbedrijfjes, de zogenaamde eigenwerkers, wel blijven bestaan. Deze groep bereidt zich zelfs in de jaren dertig, onder invloed van de massale werkloosheid onder het fabriekspersoneel, in de sigarenindustrie vrij sterk uit, maar in het geheel van de bedrijfstak is zij, noch in sociaal noch in economisch opzicht, van veel belang. In de meermansbedrijven vindt een sterke concentratie plaats.

14. Twee arbeidsters aan een compleetmachine 1983. De arbeidster links voert het omblad in, terwijl automatisch het binnengoed wordt aangevoerd; de arbeidster rechts voert het „ dekkertje" in, waarna een complete sigaar van de band afloopt. De eerste compleetmachines dateren reeds uit de jaren dertig. Met de huidige machines kan men een produktie van ca. 40.000 sigaren per week halen.

De grote terugval in de export na de Wereldoorlog l, tot minder dan vier procent van de totale produktie, wordt onvoldoende gecompenseerd door de stijging van de binnenlandse vraag. Dit leidt tot dalende prijzen en overproduktie. Vele bedrijven sluiten in de jaren twintig en dertig hun poorten. De grote bedrijven komen als overwinnaars uit de concurrentiestrijd, mede omdat zij geld hebben om te mechaniseren en dus goedkoper kunnen produceren. De tendens tot rationalisatie en mechanisatie wordt versterkt door de stijgende lonen en door de verschuiving in de vraag naar goedkopere soorten, die makkelijk machinaal te vervaardigen zijn. Zo werkt in 1925 ruim éénderde van het totale aantal arbeid(st)ers in de sigarenindustrie in bedrijven met meer dan honderd personeelsleden, in 1939 bijna drievierde. Aan het einde van de jaren dertig is ongeveer driekwart van de sigarenproduktie gedeeltelijk of geheel door middel van mechanische bewerkingen vervaardigd. Het strippen van het binnengoed gebeurt dan vrijwel uitsluitend in kolossale stripmachines, die het tabaksblad zolang walsen en zeven totdat het kant en klare binnengoed omlaag dwarrelt. Voor de verdere verwerking van het binnengoed zijn er locker- en mengmachines, waarna het via de droogkast naar de bosjesmachine wordt getransporteerd. Daar wordt het binnengoed in nauwkeurig afgepaste hoeveelheden verdeeld, waaromheen machinaal een omblad wordt gewikkeld. De pop wordt dan in de automatische vormmachine geperst en gekeerd, waarna ze klaar is voor omwikkeling met het dekblad. Dit is, evenals het sorteren, nog handwerk. Er zijn echter ook zogenaamde compleetmachines die het gehele fabricageproces van voorgesneden tabak tot complete sigaar verrichten. Deze machine is echter nog alleen geschikt voor de produktie van rechte, eenvoudige modellen. In de grotere sigarenfabrieken is op het einde van deze periode een groot aantal machinerieën bij de produktie ingeschakeld. Van een continu en volautomatisch produktieproces is evenwel nog geen sprake. De aanvoer voor de machines en de zorg voor inschakeling en aandrijving worden nog steeds door menselijke arbeid geregeld. Zo wordt de compleetmachine door vier personen bediend , die voornamelijk voor de toevoer van blad en binnengoed zorgen; andere machines werken op een trapbeweging enz. Het werk van de sigarenmaker bestaat niet langer uit het vervaardigen van de hele sigaar. Zijn taak is beperkt tot het uitsnijden en oprollen van het dekblad. Een deel van zijn werk is overgenomen door de machine die door minder geschoold en goedkoper (dus vrouwelijk) personeel wordt bediend. Het aantal sigarenmakers neemt in die periode dan ook absoluut af, terwijl het aantal vrouwelijke arbeidskrachten in de sigarenindustrie absoluut en relatief toeneemt.

15. Moderne produktiehal met bobineermachines, 1983. Het dekblad wordt gestript en op textieldragers, bobines genaamd, (zie rol links van de voorste machine), gewikkeld en aaneengelijmd.

Het streven naar volautomatische produktie (1950-heden)

De sterke verschuiving in de vraag naar goedkopere soorten, een tendens uit de jaren dertig, zet zich na Wereldoorlog II voort. De produktie van senoritas - kleine sigaren van minder dan drie en een halve gram – neemt een ongekende vlucht. Neemt na 1950 de totale produktie van sigaren, in aantallen, weinig meer toe, het aantal geproduceerde senoritas verdrievoudigt tussen 1955 en 1965. Een groot aantal daarvan is bestemd voor de export, tegenwoordig zo’n zeventig procent. De gezamenlijke produktieaantallen overtreffen pas in 1960 de hoogste vooroorlogseproduktiecijfers. Na 1965 komt aan deze stijging een einde en blijft de produktie, qua aantal, ongeveer constant. Deze produktie wordt met steeds minder werknemers behaald: tussen 1948 en 1965 vermindert het aantal arbeidsplaatsen in de sigarenindustrie bijna met de helft, wat zich tussen 1965 en 1975 nog eens herhaalt. Deze sterke vermindering van de menselijke arbeid is mogelijk dankzij een steeds verdergaande mechanisering en automatisering na 1950. De al vóór de oorlog aanwezige machinerieën voor de vervaardiging van het bosje, ondergaan verdere verbeteringen, waardoor de produktiviteit stijgt. Zo vindt na 1957 de invoering plaats van de pers-, keer- en droogmachine, die de houten vormen overbodig maakt. Na 1960 komt een voorgeprepareerd tabakslint op de markt, dat het opdekken van het omblad als continu proces mogelijk maakt. Dit leidt tot een aanzienlijke arbeidsbesparing en een hogere snelheid bij de compleetmachine. Het interne vervoer en de produktielijnen kunnen ook beperkt worden, zodat een rationelere arbeidsorganisatie mogelijk wordt. Het uitsnijden van het dekblad blijft echter lange tijd nog handwerk. In de jaren zeventig worden echter diverse systemen ontwikkeld om dek- en omblad machinaal te stansen. Deze machines kennen echter nog verscheidene beperkingen. De vrij arbeidsintensieve bewerkingen, nodig om dek- en omblad te vervaardigen, plaatsen de Nederlandse fabrikanten in deze periode veelal over naar „lagere" loonlanden als Malta. Daar worden de dek- en ombladen gestanst en op bobines (rollen vitrage-achtige stof) gelegd om, ingevoren, voor de verdere eindbewerking tot sigaar naar Nederland te worden gezonden. Het zogenaamde „bobineren" is niet alleen arbeidsbesparend, maar maakt ook het gebruik van het stukblad, dat goedkoper is dan gaaf blad, mogelijk. De jongste vinding bij het uitstansen is het zogenaamde multicut systeem. Daarbij kan één machine dekbladvormen van meer sigaarmodellen uitstansen. De invoer gebeurt nog met de hand, het transport voor verdere bewerking gaat echter automatisch. Tot slot het opdekken: bij de duurdere soorten (bolknak-modellen) blijft dat tot ongeveer 1960 handwerk, waarna ook voor dit onderdeel van het produktieproces machines komen.
16. Een produktiezaal met debobineermachines. Het dekblad wordt hier van de bobines afgewikkeld en om de automatisch aangevoerde bosjes gewikkeld. Eén enkele arbeidster kan drie a vier machines controleren

Het na-oorlogse binnenlandse verbruik heeft nooit het peil van de vooroorlogse consumptie bereikt. Het verbruik vertoont tot 1963 wel een stijging, maar valt daarna vrij snel terug. In 1980 bedroeg het nog maar iets meer dan de helft van 1963. Ook na de oorlog hebben de afgenomen vraag en de sterk stijgende loonkosten de verdere mechanisering en daarmee ook de concentratie in de sigarenindustrie, sterk bevorderd. Vooral in de jaren zestig sluiten veel bedrijven de poorten of worden overgenomen door buitenlandse (Amerikaanse, Engelse en Zweedse) tabaksverwerkende industrieën of conglomeraten van genotsartikelenproducenten. Deze overneming van een groot deel van de overblijvende Nederlandse sigarenindustrie door het buitenlandse bedrijfsleven geschiedt om zo een voet te hebben op de grote EEGmarkt. De Nederlandse sigarenindustrie kon vrij gemakkelijk worden overgenomen, omdat de bedrijven, veelal in de vorm van een familie-NV, voor verdergaande financiering afhankelijk zijn van extern kapitaal. De ongunstige marktontwikkelingen zullen vermoedelijk tot een verdere concentratie in de Nederlandse sigarenindustrie leiden. Het verdere zoeken naar mogelijkheden om de produktiekosten te drukken, zal enerzijds tot verdergaande automatisering en vermindering van de werkgelegenheid in de Nederlandse produktiebedrijven leiden, anderzijds zal een toenemend deel van de produktie naar de lage-loonlanden worden overgeheveld.

4.3. De anti-mechanisatiewet: het temporiseren van de mechanisering.

Op aandrang van alle vakbonden en een deel van de werkgevers komt in 1936 de wet „ter beperking van de mechanisatie in de sigarenindustrie" tot stand. Deze luidt een periode van beperkte mechanisering in: de machines, die vóór het tijdstip van de invoering van de wet al in de fabrieken aanwezig waren mogen blijven, nieuwe machines kunnen slechts met een vergunning worden geïnstalleerd. In de jaren daarvóór zijn in de sigarennijverheid nogal wat machines geplaatst, onder andere door de in Duitsland verboden machines te kopen (1931: ongeveer vierhonderd machines; 1934: ongeveer 750; 1936: ongeveer' 1900). Dit leidt tot grote werkeloosheid onder de sigarenmakers en werktijdverkorting op de fabrieken. De vakbonden, waarschijnlijk onder invloed van het Duitse voorbeeld en onder druk van hun leden, gaan actie voeren tegen de mechanisatie en komenhierover met een deel van de werkgevers tot een accoord. De overheid bekrachtigt dat akkoord in een wet. Deze beperking op de mechanisatie blijft tot 1953 gelden, maar ook daarna wordt de achterstand niet direkt ingelopen. De nog vrij eenvoudige machines vergen relatief veel bediening en laten in verhouding tot het handwerk meer van de toen zeer kostbare tabak verloren gaan. Ook is de enorme daling in het binnenlandse verbruik in en na Wereldoorlog II, onder andere als gevolg van de rantsoenering en de populariteit van de Yankee-sigaret, een weinig goede stimulans.

4.4. Visualisering

De verspreiding van de teelt van de tabaksplant, de omzetwaarde naar land en tijd, de verschillende cultures, het kweken en oogsten en de eerste bewerkingen (drogen en zo meer), zouden de tentoonstelling moeten inleiden. Verder zouden dan ook de bestanddelen van het tabaksblad en het schadelijke van de nicotine in de tabak aan de orde gesteld kunnen worden. Vervolgens kan worden ingegaan op de verschillen tussen pijp-, snuif- en pruimtabak en sigaren/sigaretten, met van elk in het kort de historie en een schematische uitleg van het produktie-procédé. De fabricagemethode van een sigaar zou daarbij in een eerste aanzet uitgelegd moeten worden, waarna alsnog op de grondstof kan worden teruggekomen. Wij denken aan: de cultures, de belangrijkste verwerking – vaak niet in het land van teelt, - de rol van de tabakshandel en aanvoer- en handelscentra als Bremen en Amsterdam. Het fabricageproces zou aan de hand van de oudste produktietechnieken (handarbeid) aanschouwelijk moeten worden voorgesteld, bijvoorbeeld met foto's of een audio visual. Het verband tussen de grondstof / het produkt en manufactuur moet worden uitgelegd, evenals de verspreiding van de huisarbeid. Dat kan worden gevisualiseerd met foto's, gravures, loonlijsten, arbeidsreglementen en arbeidsonrust. Daarna zouden de invoering van de houten persvormen en de eerste eenvoudige machinerieën die in het museum echt of in model aanwezig zijn kunnen volgen. Ook de reden van de late invoering van machinerieën zou moeten worden aangegeven: hoge kosten en laag rendement door relatief grote grondstofverspilling. De terugval van de huisindustrie kan men aanduiden met cijfers en de betekenis van de accijnswet en de landelijke CAO hierin. Voorts zou de verdere opkomst van het grootbedrijf in de jaren twintig en dertig aanschouwelijk moeten worden gemaakt met bijvoorbeeld cijfers en statistieken. Dit is het gevolg van de concurrentie, mechanisatie en de verschuiving van de vraag, waarbij de relatie producent/produkt/gebruiker aangeduid kan worden: reclame, verkoop via detailhandel en dergelijke. De grote werkloosheid en haar sociale gevolgen zouden vervolgens in verband moeten worden gebracht met de anti-mechanisatiewet Dat kan gebeuren met foto's, statistieken werkloosheid, modellen of echte machines met uitleg De verdere mechanisatie en concentratie na Wereldoorlog II zou aan de hand van (produktiviteits)cijfers,(overzichts)foto's en dergelijke getoond kunnen worden. Geschatte oppervlakte 500 vierkante meter.